Article 12
Uit hoofde van deze verordening kunnen de volgende soorten uitvoervergunningen worden afgegeven of ingesteld:
individuele uitvoervergunningen;
globale uitvoervergunningen;
nationale algemene uitvoervergunningen;
uniale algemene uitvoervergunningen voor de uitvoer van bepaalde producten naar bepaalde bestemmingen onder specifieke gebruiksvoorwaarden en -eisen als bedoeld in bijlage II, secties A tot en met H.
Uit hoofde van deze verordening afgegeven of ingestelde uitvoervergunningen zijn in het gehele douanegebied van de Unie geldig.
Onverminderd artikel 2, punt 3), wordt, indien de exporteur niet in het douanegebied van de Unie ingezetene of gevestigd is, uit hoofde van deze verordening een individuele uitvoervergunning verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de producten voor tweeërlei gebruik zich bevinden.
Alle individuele en globale uitvoervergunningen worden waar mogelijk langs elektronische weg afgegeven op formulieren die ten minste alle elementen, in dezelfde volgorde, van de modellen in bijlage III, sectie A, bevatten.
Vergunningen voor grote projecten zijn geldig voor een door de bevoegde autoriteit vast te stellen termijn, maar niet langer dan vier jaar, behalve in naar behoren gemotiveerde omstandigheden in verband met de duur van het project.
Aan individuele uitvoervergunningen wordt de verplichting verbonden een verklaring betreffende het eindgebruik af te geven. De bevoegde autoriteit kan bepaalde aanvragen vrijstellen van de verplichting om een verklaring over het eindgebruik te verstrekken. Waar passend kan voor globale uitvoervergunningen een verklaring over het eindgebruik worden verlangd.
Exporteurs die gebruikmaken van globale uitvoervergunningen implementeren een ICP, tenzij de bevoegde autoriteit dit niet nodig acht wegens andere informatie waarmee zij rekening heeft gehouden bij de behandeling van de door de exporteur ingediende aanvraag voor een globale uitvoervergunning.
De rapportage- en ICP-vereisten met betrekking tot het gebruik van globale uitvoervergunningen worden door de lidstaten vastgesteld.
Op verzoek van de exporteurs worden globale uitvoervergunningen die kwantitatieve beperkingen inhouden, gesplitst.
Nationale algemene uitvoervergunningen:
zijn niet van toepassing op producten die op de lijst van bijlage II, sectie I, voorkomen;
worden gedefinieerd in het nationale recht of in de nationale praktijk; zij kunnen worden gebruikt door alle exporteurs die ingezetene of gevestigd zijn in de lidstaat die die vergunningen afgeeft, indien zij voldoen aan de voorschriften van deze verordening en van de aanvullende nationale wetgeving; zij worden afgegeven overeenkomstig bijlage III, sectie C;
mogen niet worden gebruikt indien de exporteur er door de bevoegde autoriteit van in kennis is gesteld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden, of indien de exporteur er kennis van draagt dat de producten bestemd zijn voor die doeleinden.
Nationale algemene uitvoervergunningen kunnen ook van toepassing zijn op de producten en bestemmingen die op de lijst van bijlage II, secties A tot en met H, voorkomen.
De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van alle nationale algemene uitvoervergunningen die zijn afgegeven of gewijzigd. De Commissie maakt dergelijke kennisgevingen bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen informatie uit over exporteurs die het verboden is gebruik te maken van een uniale algemene uitvoervergunning, tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur ingezetene of gevestigd is, vaststelt dat de exporteur niet zal pogen producten voor tweeërlei gebruik via een andere lidstaat uit te voeren. De informatie-uitwisseling vindt plaats via elektronische systemen als bedoeld in artikel 23, lid 6.