1.
Bij het vervullen van de formaliteiten voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik bij het voor de behandeling voor de uitvoeraangifte bevoegde douanekantoor levert de exporteur het bewijs dat voor de uitvoer naar behoren een vergunning is verleend.
2.
Van de exporteur kan van de als bewijs verstrekte bescheiden een vertaling worden geëist in een officiële taal van de lidstaat waar de aangifte wordt overgelegd.
3.
Onverminderd de bevoegdheden die hem uit hoofde van en overeenkomstig het communautaire douanewetboek zijn verleend, kan een lidstaat tevens voor een periode van ten hoogste de in lid 4 vermelde perioden de uitvoer vanaf zijn grondgebied van de in bijlage I vermelde producten voor tweeërlei gebruik waarvoor een geldige uitvoervergunning werd afgegeven, schorsen of, indien nodig, op andere wijze verhinderen dat deze producten de Gemeenschap via zijn grondgebied verlaten, indien hij een gegrond vermoeden heeft dat:
a)
bij de vergunningverlening geen rekening is gehouden met relevante gegevens, of
b)
sedert de vergunningverlening de omstandigheden wezenlijk zijn veranderd.
4.
In het in lid 3 bedoelde geval worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die de uitvoervergunning hebben verleend, onverwijld geraadpleegd, zodat zij overeenkomstig artikel 13, lid 1, maatregelen kunnen treffen. Indien deze bevoegde autoriteiten besluiten de vergunning te handhaven, antwoorden zij binnen tien werkdagen, welke termijn in uitzonderlijke omstandigheden op hun verzoek mag worden verlengd tot dertig werkdagen. In dat geval, of indien, naar gelang van het geval, binnen tien of dertig werkdagen geen antwoord is ontvangen, worden de producten voor tweeërlei gebruik onverwijld vrijgegeven. De lidstaat welke de vergunning heeft verleend stelt de andere lidstaten en de Commissie hiervan in kennis.