RUBRIEK 9: Fysische en chemische eigenschappen
Vermeld indien relevant in deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad de empirische gegevens met betrekking tot de stof of het mengsel. Artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1272/2008 is van toepassing.
Verstrek, opdat de juiste beheersingsmaatregelen kunnen worden genomen, alle relevante informatie over de stof of het mengsel. De informatie in deze rubriek moet overeenkomen met de informatie die is verstrekt in de/het eventueel vereiste registratie of chemischeveiligheidsrapport en met de indeling van de stof of het mengsel.
Ingeval de informatie niet geldt voor het mengsel als geheel, moet duidelijk worden vermeld op welke stof in het mengsel de informatie betrekking heeft.
De gerapporteerde eigenschappen moeten duidelijk worden geïdentificeerd en gerapporteerd in de passende meeteenheden. De bepalingsmethode moet worden vermeld, met inbegrip van de meet- en referentieomstandigheden, indien dat relevant is voor de interpretatie van de getalwaarde. Tenzij anders bepaald, zijn de standaardomstandigheden van temperatuur en druk respectievelijk 20 °C en 101,3 kPa.
De in de punten 9.1 en 9.2 genoemde eigenschappen kunnen in de vorm van een lijst worden gepresenteerd. Indien dat passend wordt geacht, kan de volgorde van de eigenschappen in de punten verschillend zijn.
9.1. Informatie over fysische en chemische basiseigenschappen
Elk veiligheidsinformatieblad moet de hieronder genoemde eigenschappen vermelden. Wanneer wordt vermeld dat een specifieke eigenschap niet van toepassing is of er over een specifieke eigenschap geen informatie beschikbaar is, moet dat duidelijk worden aangegeven, zo mogelijk met vermelding van de redenen daarvoor.
Fysische toestand
Vermeld de fysische toestand (gas, vloeistof of vaste stof), bij voorkeur onder standaardomstandigheden van temperatuur en druk.
De definities van de termen gas, vloeistof en vaste stof in punt 1.0 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn van toepassing.
Kleur
Vermeld de kleur van de stof of het mengsel zoals geleverd.
Wanneer één veiligheidsinformatieblad wordt gebruikt voor varianten van een mengsel die verschillende kleuren kunnen hebben, kan de term “verschillende” worden gebruikt om de kleur te beschrijven.
Geur
Geef een kwalitatieve beschrijving van de geur indien de geur algemeen bekend is of in de literatuur wordt beschreven.
Vermeld de geurdrempelwaarde (kwalitatief of kwantitatief) indien deze beschikbaar is.
Smeltpunt/vriespunt
Niet van toepassing op gassen.
Vermeld het smeltpunt en het vriespunt bij standaarddruk.
Als het smeltpunt boven het meetbereik van de methode ligt, moet worden vermeld tot welke temperatuur geen smeltpunt is waargenomen.
Indien vóór of tijdens het smelten ontleding of sublimatie plaatsvindt, moet dit worden vermeld.
Voor wassen en pasta’s mag in plaats van het smeltpunt en het vriespunt het verwekingspunt/verwekingstraject worden vermeld.
Indien het voor mengsels technisch niet mogelijk is het smeltpunt/vriespunt te bepalen, moet dit worden vermeld.
Kookpunt of beginkookpunt en kooktraject
Vermeld deze eigenschappen bij standaarddruk. Er kan echter een kookpunt bij lagere druk worden vermeld indien het kookpunt zeer hoog is of als ontleding plaatsvindt voordat het kookpunt bij standaarddruk wordt bereikt.
Als het kookpunt boven het meetbereik van de methode ligt, moet worden vermeld tot welke temperatuur geen kookpunt is waargenomen.
Indien vóór of tijdens het koken ontleding plaatsvindt, moet dit worden vermeld.
Indien het voor mengsels technisch niet mogelijk is het kookpunt of kooktraject te bepalen, moet dit worden vermeld; in dat geval moet ook het kookpunt worden vermeld van het ingrediënt met het laagste kookpunt.
Ontvlambaarheid
Van toepassing op gassen, vloeistoffen en vaste stoffen.
Vermeld of de stof of het mengsel ontvlambaar is, d.w.z. of de stof of het mengsel vuur kan vatten of in brand kan worden gestoken, ook als de stof of het mengsel niet zijn onderworpen aan de indelingsprocedures voor ontvlambaarheid.
Indien nadere informatie beschikbaar is, zoals het antwoord op de vraag of het effect van ontbranding anders is dan bij een normale verbranding (bv. een explosie) en de ontvlambaarheid onder niet-standaardomstandigheden, kan die in voorkomend geval worden vermeld.
Op basis van de desbetreffende gevaarsindeling kan meer specifieke informatie over de ontvlambaarheid worden vermeld. Vermeld in dit punt niet de in punt 9.2.1 bedoelde informatie.
Onderste en bovenste explosiegrens ( 39 )
Niet van toepassing op vaste stoffen.
Vermeld voor brandbare vloeistoffen ten minste de onderste explosiegrens. Als het vlampunt ongeveer -25 °C of hoger is, kan het onmogelijk zijn de bovenste explosiegrens bij standaardtemperatuur te bepalen; in dat geval wordt aanbevolen de bovenste explosiegrens bij een hogere temperatuur te vermelden. Als het vlampunt hoger is dan 20 °C, kan het onmogelijk zijn de onderste of bovenste explosiegrens bij standaardtemperatuur te bepalen; in dat geval wordt aanbevolen zowel de onderste als de bovenste explosiegrens bij een hogere temperatuur te vermelden.
Vlampunt
Niet van toepassing op gassen, aerosolen en vaste stoffen.
Vermeld voor mengsels een waarde voor het mengsel indien deze beschikbaar is. Vermeld anders het/de vlampunt(en) van de stof(fen) met het laagste vlampunt.
Zelfontbrandingstemperatuur
Alleen van toepassing op gassen en vloeistoffen.
Vermeld voor mengsels de zelfontbrandingstemperatuur voor het mengsel indien deze beschikbaar is. Als de waarde voor het mengsel niet beschikbaar is, moet de zelfontbrandingstemperatuur van de ingrediënten met de laagste zelfontstekingstemperatuur worden vermeld.
Ontledingstemperatuur
Alleen van toepassing op zelfontledende stoffen en mengsels, organische peroxiden en andere stoffen en mengsels die kunnen ontleden.
Vermeld de temperatuur van zelfversnellende ontleding (SADT) en het volume waarop die van toepassing is, of de begintemperatuur van de ontleding.
Vermeld of de temperatuur de SADT of de begintemperatuur van de ontleding is.
Als geen ontleding is waargenomen, moet worden vermeld tot welke temperatuur geen ontleding is waargenomen, bv. “geen ontleding waargenomen tot x °C”.
pH
Niet van toepassing op gassen.
Vermeld de pH van de stof die of het mengsel zoals dat is geleverd, of indien het product een vaste stof is, de pH van een waterige vloeistof of oplossing bij een bepaalde concentratie.
Vermeld de concentratie van de teststof of het testmengsel in water.
Kinematische viscositeit
Alleen van toepassing op vloeistoffen.
De meeteenheid is mm2/s.
Vermeld voor niet-newtonse vloeistoffen het thixotrope of reopexe gedrag.
Oplosbaarheid
Vermeld de oplosbaarheid, bij voorkeur bij de standaardtemperatuur.
Vermeld de oplosbaarheid in water.
Ook de oplosbaarheid in andere polaire en niet-polaire oplosmiddelen kan worden vermeld.
Vermeld voor mengsels of het mengsel geheel of alleen gedeeltelijk oplosbaar is in of mengbaar is met water of een ander oplosmiddel.
Vermeld voor nanovormen naast de oplosbaarheid in water ook de oplossingssnelheid in water of in andere relevante biologische of milieumedia.
Verdelingscoëfficiënt n-octanol/water (logwaarde)
Niet van toepassing op anorganische en ionische vloeistoffen en in de regel niet van toepassing op mengsels.
Vermeld of de gerapporteerde waarde is gebaseerd op tests of op berekeningen.
Vermeld voor nanovormen van een stof waarvoor de verdelingscoëfficiënt n-octanol/water niet van toepassing is, de dispersiestabiliteit in verschillende media.
Dampspanning
Vermeld de dampspanning, bij voorkeur bij de standaardtemperatuur.
Vermeld voor vluchtige vloeistoffen ook de dampspanning bij 50 °C.
Wanneer één veiligheidsinformatieblad wordt gebruikt voor verschillende varianten van een vloeibaar mengsel of een mengsel van vloeibaar gemaakte gassen, moet voor de dampspanning een bereik worden vermeld.
Vermeld voor vloeibare mengsels of mengsels van vloeibaar gemaakte gassen voor de dampspanning een bereik of ten minste de dampspanning van het/de vluchtigste ingrediënt(en) wanneer de dampspanning van het mengsel vooral wordt bepaald door dat/die ingrediënt(en).
Ook de verzadigde dampconcentratie mag worden vermeld.
Dichtheid en/of relatieve dichtheid
Alleen van toepassing op vloeistoffen en vaste stoffen.
Vermeld de dichtheid en de relatieve dichtheid, bij voorkeur onder standaardomstandigheden van temperatuur en druk.
Vermeld de absolute dichtheid en/of de relatieve dichtheid met water van 4 °C als referentie (ook soortelijk gewicht genoemd).
Wanneer variaties in dichtheid mogelijk zijn, bv. als gevolg van de productie van charges, of wanneer een veiligheidsinformatieblad wordt gebruikt voor verschillende varianten van een stof of mengsel, mag een bereik worden vermeld.
Het veiligheidsinformatieblad vermeldt of de absolute dichtheid (eenheden bv. g/cm3 of kg/m3 ) en/of de relatieve dichtheid (dimensieloos) wordt gehanteerd.
Relatieve dampdichtheid
Alleen van toepassing op gassen en vloeistoffen.
Vermeld voor gassen de relatieve dichtheid van het gas met lucht van 20 °C als referentie.
Vermeld voor vloeistoffen de relatieve dampdichtheid met lucht van 20 °C als referentie.
Voor vloeistoffen mag ook de relatieve dichtheid D m van het damp/luchtmengsel bij 20 °C worden vermeld.
Deeltjeskenmerken
Alleen van toepassing op vaste stoffen.
Vermeld de deeltjesgrootte (mediane equivalente diameter, methode om de diameter te berekenen (op basis van aantal, oppervlakte of volume) en bandbreedte waarbinnen deze mediaanwaarde varieert). Ook andere eigenschappen kunnen worden vermeld, zoals de distributie van de grootte (bv. als een bereik), de vorm en de dimensieverhouding, de aggregatie- en agglomeratietoestand, de specifieke oppervlakte en de stofvorming. Indien de stof in nanovorm voorkomt of indien het verstrekte mengsel een nanovorm bevat, moeten die kenmerken in dit punt worden vermeld of moet ernaar worden verwezen indien dit reeds elders in het veiligheidsinformatieblad is gebeurd.
9.2. Overige informatie
Vermeld naast de in punt 9.1 genoemde eigenschappen ook andere fysische en chemische parameters, zoals de in de punten 9.2.1 en 9.2.2 genoemde eigenschappen, indien de vermelding ervan relevant is voor het veilige gebruik van de stof of het mengsel.
9.2.1. Informatie inzake fysische gevarenklassen
In dit punt worden de eigenschappen, de veiligheidskenmerken en de testresultaten vermeld waarvan de opname in het veiligheidsinformatieblad nuttig kan zijn wanneer een stof of mengsel in de desbetreffende fysische gevarenklasse is ingedeeld. Het kan ook passend zijn gegevens te vermelden die relevant worden geacht met betrekking tot een specifiek fysisch gevaar, maar die niet tot indeling leiden (bv. negatieve testresultaten dicht bij het criterium).
De naam van de gevarenklasse waarop de gegevens betrekking hebben, mag samen met de gegevens worden vermeld.
Dit punt is ook van toepassing op stoffen en mengsels als bedoeld in noot 2 van punt 2.1.3 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008, en op andere stoffen en mengsels die bij verwarming in afgesloten toestand een positief resultaat hebben.
De volgende informatie mag worden verstrekt:
gevoeligheid voor slagen en stoten;
reactie bij verwarming in afgesloten toestand;
reactie bij ontsteking in afgesloten toestand;
gevoeligheid voor schokken;
gevoeligheid voor wrijving;
thermische stabiliteit;
combinatie eigenschappen (type, grootte, nettomassa van de stof of het mengsel) op basis waarvan de stof of mengsel binnen de categorie ontplofbare stoffen is ingedeeld, of op basis waarvan de stof of het mengsel is vrijgesteld van de indeling als ontplofbare stof.
Voor zuivere ontvlambare gassen mag naast gegevens over de explosiegrenzen als bedoeld in punt 9.1, onder g), de volgende informatie worden verstrekt:
de T Ci (maximumgehalte aan ontvlambaar gas dat, wanneer gemengd met stikstof, niet ontvlambaar is in de lucht, in molprocent);
de fundamentele brandsnelheid indien het gas op basis van de fundamentele brandsnelheid is ingedeeld als categorie 1B.
Voor een ontvlambaar gasmengsel mag naast gegevens over de explosiegrenzen als bedoeld in punt 9.1, onder g), de volgende informatie worden verstrekt:
explosiegrenzen, indien getest, of een indicatie of de indeling en toewijzing van de categorie is gebaseerd op berekeningen;
fundamentele brandsnelheid indien het gasmengsel op basis van de fundamentele brandsnelheid is ingedeeld als categorie 1B.
Het volgende totale (gewichts)percentage van ontvlambare bestanddelen mag worden verstrekt, tenzij de aerosol is ingedeeld als aerosolcategorie 1 omdat het meer dan 1 (gewichts)percent ontvlambare bestanddelen bevat of een verbrandingswarmte van ten minste 20 kJ/g heeft en niet onderworpen is aan de indelingsprocedures voor ontvlambaarheid (zie de noot in punt 2.3.2.2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008);
Voor zuivere gassen mag de C i (zuurstofequivalentiecoëfficiënt) volgens ISO 10156 “Gassen en gasmengsels — Bepaling van het brandpotentieel en het oxiderend vermogen voor de keuze van cilinderklepopeningen” of volgens een gelijkwaardige methode worden verstrekt;
Voor gasmengsels mogen de woorden “oxiderend gas van categorie 1 (getest volgens ISO 10156 (of een gelijkwaardige methode))” worden vermeld voor geteste mengsels, of het berekende oxiderend vermogen volgens ISO 10156 of een gelijkwaardige methode;
Voor zuivere gassen mag de kritische temperatuur worden vermeld.
Voor gasmengsels mag de pseudo-kritische temperatuur worden vermeld;
Wanneer de stof of het mengsel is ingedeeld als ontvlambare vloeistof, hoeven de gegevens inzake het kookpunt en het vlampunt in dit punt niet te worden vermeld, aangezien die gegevens moeten worden vermeld overeenkomstig punt 9.1. Er mag informatie worden verstrekt over het vermogen om verbranding te doorstaan.
De volgende informatie mag worden verstrekt:
verbrandingssnelheid, of verbrandingsduur van metaalpoeders;
een verklaring over de vraag of de bevochtigde zone is gepasseerd;
Naast de vermelding van de SADT als bedoeld in punt 9.1, onder j), mag de volgende informatie worden verstrekt:
ontledingstemperatuur,
detonatiekenmerken,
deflagratiekenmerken,
reactie bij verwarming in afgesloten toestand,
in voorkomend geval, explosief vermogen;
Vermeld kan worden of er spontane ontbranding of verkoling van filterpapier optreedt.
De volgende informatie mag worden verstrekt:
voor vaste stoffen in poedervorm: of spontane ontbranding optreedt bij het gieten of binnen vijf minuten daarna,
een verklaring over de vraag of de pyrofore eigenschappen na verloop van tijd kunnen veranderen.
De volgende informatie mag worden verstrekt:
een verklaring over de vraag of spontane ontbranding optreedt en wat de maximale temperatuurstijging is,
de resultaten van de in punt 2.11.4.2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 bedoelde screeningtests, als die relevant en beschikbaar zijn;
De volgende informatie mag worden verstrekt:
identiteit van het ontwikkelde gas, indien dat bekend is,
een verklaring over de vraag of het ontwikkelde gas spontaan ontbrandt,
gasontwikkeling;
Vermeld kan worden of er bij menging met cellulose spontane ontbranding optreedt.
Vermeld kan worden of er bij menging met cellulose spontane ontbranding optreedt.
Naast de vermelding van de SADT als bedoeld in punt 9.1, onder j), mag de volgende informatie worden verstrekt:
ontledingstemperatuur,
detonatiekenmerken,
deflagratiekenmerken,
reactie bij verwarming in afgesloten toestand,
explosief vermogen;
De volgende informatie mag worden verstrekt:
metalen die door de stof of het mengsel gecorrodeerd worden,
corrosiesnelheid en vermelding of deze betrekking heeft op staal of aluminium,
verwijzing naar andere delen van het veiligheidsinformatieblad met betrekking tot compatibele of incompatibele materialen.
De volgende informatie mag worden verstrekt:
gebruikt ongevoeligheidsagens,
exotherme ontledingsenergie,
gecorrigeerde verbrandingssnelheid (Ac);
explosieve eigenschappen van de ongevoelig gemaakte ontplofbare stof in die toestand.
9.2.2. Andere veiligheidskenmerken
De hieronder vermelde eigenschappen, veiligheidskenmerken en testresultaten kunnen nuttig zijn om ten aanzien van een stof of mengsel het volgende aan te geven:
mechanische gevoeligheid;
temperatuur van zelfversnellende polymerisatie;
ontstaan van explosieve mengsels van stof en lucht;
zuur/alkalireserve;
verdampingssnelheid;
mengbaarheid;
geleidingsvermogen;
corroderend vermogen;
gasgroep;
redoxpotentiaal;
mogelijkheid tot radicaalvorming;
fotokatalytische eigenschappen.
Vermeld andere fysische en chemische parameters indien dat relevant is voor het veilige gebruik van de stof of het mengsel.