CELEX 02006R1907 · v20251023

TITLE XV / OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 128

Vrij verkeer van goederen

1.  
Onverminderd lid 2 mogen de lidstaten de vervaardiging, de invoer, het in de handel brengen of het gebruik van een stof, als zodanig of in een ►M3  mengsel ◄ of voorwerp, die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt en aan deze verordening voldoet, en in voorkomend geval aan communautaire uitvoeringsbesluiten daarvan, niet verbieden, beperken of belemmeren.
2.  
Deze verordening belet niet dat de lidstaten voor de bescherming van werknemers, de gezondheid van de mens en het milieu, nationale regels handhaven of vaststellen die van toepassing zijn in gevallen waarin deze verordening de voorschriften voor de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik niet harmoniseert.

Artikel 129

Vrijwaringsclausule

1.  
Wanneer een lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat ter bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu onmiddellijk optreden absoluut noodzakelijk is ten aanzien van een stof, als zodanig of in een ►M3  mengsel ◄ of voorwerp, zelfs indien deze weliswaar aan de voorschriften van deze verordening voldoet, kan die lidstaat passende voorlopige maatregelen nemen. De lidstaat stelt de Commissie, het Agentschap en de overige lidstaten daarvan onverwijld op de hoogte, met vermelding van de redenen voor zijn besluit alsook van de wetenschappelijke of technische informatie waarop de voorlopige maatregel is gebaseerd.
2.  

De Commissie neemt binnen 60 dagen na ontvangst van de informatie van de lidstaat een besluit volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure. Bij dit besluit wordt:

a) 

de voorlopige maatregel voor een in het besluit vermelde termijn goedgekeurd; of

b) 

van de lidstaat geëist dat deze de voorlopige maatregel intrekt.

3.  
Indien in het geval van een besluit als bedoeld in lid 2, onder a), de door de lidstaat genomen voorlopige maatregel een beperking op het in de handel brengen of het gebruik van een stof inhoudt, leidt de betrokken lidstaat een procedure voor communautaire beperkingen in door binnen drie maanden na de datum van het besluit van de Commissie bij het Agentschap een dossier overeenkomstig bijlage XV in te dienen.
4.  
In het geval van een besluit als bedoeld in lid 2, onder a), overweegt de Commissie of deze verordening moet worden aangepast.

Artikel 130

Motivering van besluiten

De bevoegde instanties, het Agentschap en de Commissie motiveren alle besluiten die zij overeenkomstig deze verordening nemen.

Artikel 131

Wijziging van de bijlagen

De bijlagen kunnen volgens de in artikel 133, lid 4, bedoelde procedure worden gewijzigd.

Artikel 132

Uitvoeringsbepalingen

De voor een efficiënte uitvoering van de bepalingen van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure.

Artikel 133

Comitéprocedure

1.  
De Commissie wordt bijgestaan door een comité.
2.  
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.
3.  
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

4.  
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.
5.  
Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 134

Voorbereidingen voor de oprichting van het Agentschap

1.  
De Commissie verleent de nodige steun in verband met de oprichting van het Agentschap.
2.  

Te dien einde, en in afwachting van het tijdstip waarop de uitvoerend directeur zijn werkzaamheden aanvangt na zijn benoeming door de raad van bestuur van het Agentschap overeenkomstig artikel 84, kan de Commissie namens het Agentschap en met gebruikmaking van de begroting van het Agentschap:

a) 

personeel benoemen, daaronder begrepen de benoeming van een persoon die ad interim de taken van de uitvoerend directeur verricht; alsmede

b) 

andere contracten sluiten.

Artikel 135

Overgangsmaatregelen betreffende aangemelde stoffen

1.  
De tot de registranten gerichte verzoeken om de bevoegde instantie nadere informatie te verstrekken overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 67/548/EEG worden beschouwd als overeenkomstig artikel 51 van deze verordening genomen besluiten.
2.  
De tot een registrant gerichte verzoeken om de bevoegde instantie nadere informatie te verstrekken overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Richtlijn 67/548/EEG worden beschouwd als een overeenkomstig artikel 52 van deze verordening genomen besluit.

Deze stoffen worden geacht deel uit te maken van het communautaire voortschrijdende actieplan overeenkomstig artikel 44, lid 2, van deze verordening en worden beschouwd als stoffen die overeenkomstig artikel 45, lid 2, van deze verordening zijn gekozen door de lidstaat waarvan de bevoegde instantie overeenkomstig artikel 7, lid 2, en artikel 16, lid 1, van Richtlijn 67/548/EEG om nadere informatie heeft verzocht.

Artikel 136

Overgangsmaatregelen betreffende bestaande stoffen

1.  
De verzoeken om informatie die met toepassing van artikel 10, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 793/93 bij een verordening van de Commissie tot de fabrikanten en importeurs zijn gericht, worden beschouwd als overeenkomstig artikel 52 van deze verordening aangenomen besluiten.

De voor de stof bevoegde instantie is de bevoegde instantie van de lidstaat die overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 793/93 als rapporteur is aangewezen en verricht de in artikel 46, lid 3, en artikel 48 van deze verordening omschreven taken.

2.  
De verzoeken om informatie die met toepassing van artikel 12, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 793/93 bij een verordening van de Commissie tot de fabrikanten en importeurs zijn gericht, worden beschouwd als overeenkomstig artikel 52 van deze verordening aangenomen besluiten. Het Agentschap bepaalt welke voor de stof bevoegde instantie de in artikel 46, lid 3, en artikel 48 van deze verordening omschreven taken verricht.
3.  

Een lidstaat wiens rapporteur heeft nagelaten de risicobeoordeling en, indien nodig, de strategie ter beperking van de risico's overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 793/93 uiterlijk op 1 juni 2008 toe te zenden, moet:

a) 

gedocumenteerde informatie over gevaren en risico's verstrekken overeenkomstig bijlage XV, deel B, van deze verordening;

b) 

artikel 69, lid 4, van deze verordening toepassen op basis van het onder a) bedoelde dossier; en

c) 

een document opstellen over de manier waarop eventuele andere vastgestelde risico's moeten worden aangepakt door ander optreden dan de wijziging van bijlage XVII bij deze verordening.

Bovenbedoelde informatie wordt uiterlijk 1 december 2008 aan het Agentschap toegezonden.

Artikel 137

Overgangsmaatregelen betreffende beperkingen

1.  

Uiterlijk op 1 juni 2010 stelt de Commissie, zo nodig, een ontwerp-wijziging van bijlage XVII op overeenkomstig:

a) 

hetzij een risicobeoordeling en een overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 793/93 op Gemeenschapsniveau goedgekeurde aanbevolen strategie ter beperking van de risico's, voor zover deze voorstellen voor beperkingen in de zin van titel VIII van deze verordening bevat, waarover nog geen besluit overeenkomstig Richtlijn 76/769/EEG is genomen;

b) 

hetzij een bij de betrokken instellingen ingediend voorstel betreffende de invoering of wijziging van beperkingen krachtens Richtlijn 76/769/EEG dat nog niet is goedgekeurd.

2.  
Tot 1 juni 2010 worden alle in artikel 129, lid 3, bedoelde dossiers aan de Commissie voorgelegd. De Commissie stelt indien nodig een ontwerp tot wijziging van bijlage XVII op.
3.  
Elke wijziging van de goedgekeurde beperkingen krachtens Richtlijn 76/769/EEG vanaf 1 juni 2007 wordt met ingang van 1 juni 2009 opgenomen in bijlage XVII.

Artikel 138

Evaluatie

1.  

Uiterlijk op 1 juni 2019 voert de Commissie een evaluatie uit om te beoordelen of de toepassing van de verplichting om een chemischeveiligheidsbeoordeling uit te voeren en die in een chemischeveiligheidsrapport te documenteren, al dan niet uitgebreid moet worden tot stoffen waarvoor die verplichting nog niet geldt omdat zij niet registratieplichtig zijn, of die wel registratieplichtig zijn maar in hoeveelheden van minder dan 10 ton per jaar worden vervaardigd of ingevoerd. ►M3  Voor stoffen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 aan de criteria voor indeling in de gevarenklassen kankerverwekkendheid, mutageniteit in geslachtscellen of voortplantingstoxiciteit, categorie 1A of 1B, voldoen, wordt de evaluatie echter uiterlijk op 1 juni 2014 uitgevoerd. ◄ Bij de uitvoering van de evaluatie, houdt de Commissie rekening met alle relevante factoren, met inbegrip van:

a) 

de kosten voor fabrikanten en importeurs van het opstellen van de chemischeveiligheidsrapporten;

b) 

de verdeling van de kosten tussen actoren in de toeleveringsketen en de downstreamgebruiker;

c) 

de voordelen voor de gezondheid van de mens en het milieu.

Op grond van die evaluatie kan de Commissie, in voorkomend geval, wetgevingsvoorstellen indienen om deze verplichting uit te breiden.

2.  

De Commissie kan wetgevingsvoorstellen indienen zodra een uitvoerbare en kosteneffectieve selectiemethode voor de registratie van polymeren op grond van betrouwbare technische en geldige wetenschappelijke criteria kan worden vastgesteld, en nadat zij een verslag over het volgende heeft gepubliceerd:

a) 

de risico's van polymeren in vergelijking met andere stoffen;

b) 

de eventuele noodzaak om bepaalde soorten polymeren te registreren, rekening houdend met het concurrentievermogen en innovatie enerzijds en de bescherming van de gezondheid en het milieu anderzijds.

3.  
Het in artikel 117, lid 4, bedoelde verslag over de ervaring met de werking van deze verordening bevat een evaluatie van de voorschriften voor de registratie van stoffen die in hoeveelheden tussen 1 ton en 10 ton per jaar per fabrikant of importeur worden vervaardigd of ingevoerd. Op grond van die evaluatie kan de Commissie wetgevingsvoorstellen indienen tot wijziging van de informatie-eisen voor stoffen die in hoeveelheden tussen 1 ton en 10 ton per jaar per fabrikant of importeur worden vervaardigd of ingevoerd, waarbij zij rekening houdt met de jongste ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het gebied van alternatieve testmethoden en (kwantitatieve) structuur-activiteitsrelaties.
4.  
Uiterlijk op 1 juni 2008 voert de Commissie een evaluatie van de bijlagen I, IV en V uit, teneinde, zo nodig, overeenkomstig de procedure van artikel 131 wijzigingsvoorstellen in te dienen.
5.  
Uiterlijk op 1 december 2008 voert de Commissie een evaluatie uit van bijlage XIII om de toereikendheid te beoordelen van de criteria voor de identificatie van stoffen die persistent, bioaccumulerend en toxisch zijn of zeer persistent en zeer bioaccumulerend zijn, teneinde, zo nodig, overeenkomstig de procedure van artikel 133, lid 4, wijzigingsvoorstellen in te dienen.
6.  
Uiterlijk op 1 juni 2012 voert de Commissie een evaluatie uit om te beoordelen of het toepassingsgebied van deze verordening dient te worden gewijzigd om dubbel gebruik met andere toepasselijke communautaire bepalingen te vermijden. Op grond van die evaluatie, kan de Commissie, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel indienen.
7.  
Uiterlijk op 1 juni 2013 voert de Commissie een evaluatie uit om te beoordelen of, rekening houdend met de laatste ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied, het toepassingsgebied van artikel 60, lid 3, dient te worden uitgebreid tot stoffen, geïdentificeerd onder artikel 57, onder f), met hormoonontregelende eigenschappen. Op grond van die evaluatie, kan de Commissie, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel indienen.
8.  
Uiterlijk op 1 juni 2019 voert de Commissie een evaluatie uit om te beoordelen of het toepassingsgebied van artikel 33 dient te worden uitgebreid tot andere gevaarlijke stoffen, rekening houdend met de praktische ervaring bij de toepassing van dat artikel. Op grond van die evaluatie, kan de Commissie, in voorkomend geval, wetgevingsvoorstellen indienen om deze verplichting uit te breiden.
9.  
Overeenkomstig de doelstelling om testmethoden zonder dierproeven te bevorderen en testmethoden met dierproeven te vervangen, beperken of verfijnen, als voorzien in deze verordening, voert de Commissie uiterlijk op 1 juni 2019 een evaluatie uit van de vereisten voor testmethoden van punt 8.7 van bijlage VIII. Op grond van die evaluatie, en met garantie voor een hoog niveau van bescherming voor de gezondheid van de mens en het milieu, kan de Commissie een wijziging voorstellen overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 133, lid 4.

Artikel 139

Intrekking

Richtlijn 91/155/EEG wordt hierbij ingetrokken.

De Richtlijnen 93/105/EG en 2000/21/EG en de Verordeningen (EEG) nr. 793/93 en (EG) nr. 1488/94 worden met ingang van 1 juni 2008 ingetrokken.

Richtlijn 93/67/EEG wordt met ingang van 1 augustus 2008 ingetrokken.

Richtlijn 76/769/EEG wordt met ingang van 1 juni 2009 ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken besluiten gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 140

Wijziging van Richtlijn 1999/45/EG

Artikel 14 van Richtlijn 1999/45/EG wordt geschrapt.

Artikel 141

Inwerkingtreding en toepassing

1.  
Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2007.
2.  
De titels II, III, V, VI, VII, XI en XII, alsmede de artikelen 128 en 136, zijn van toepassing vanaf 1 juni 2008.
3.  
Artikel 135 is van toepassing vanaf 1 augustus 2008.
4.  
Titel VIII en bijlage XVII zijn van toepassing vanaf 1 juni 2009.

Source: Content sourced from EUR-Lex and licensed under CC BY 4.0. This is an unofficial presentation; only the official EUR-Lex version is legally authentic.

Screen documents for chemicals