CELEX 02006R1907 · v20251023

9.1. Informatie over fysische en chemische basiseigenschappen

Elk veiligheidsinformatieblad moet de hieronder genoemde eigenschappen vermelden. Wanneer wordt vermeld dat een specifieke eigenschap niet van toepassing is of er over een specifieke eigenschap geen informatie beschikbaar is, moet dat duidelijk worden aangegeven, zo mogelijk met vermelding van de redenen daarvoor.

a) 

Fysische toestand

Vermeld de fysische toestand (gas, vloeistof of vaste stof), bij voorkeur onder standaardomstandigheden van temperatuur en druk.

De definities van de termen gas, vloeistof en vaste stof in punt 1.0 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn van toepassing.

b) 

Kleur

Vermeld de kleur van de stof of het mengsel zoals geleverd.

Wanneer één veiligheidsinformatieblad wordt gebruikt voor varianten van een mengsel die verschillende kleuren kunnen hebben, kan de term “verschillende” worden gebruikt om de kleur te beschrijven.

c) 

Geur

Geef een kwalitatieve beschrijving van de geur indien de geur algemeen bekend is of in de literatuur wordt beschreven.

Vermeld de geurdrempelwaarde (kwalitatief of kwantitatief) indien deze beschikbaar is.

d) 

Smeltpunt/vriespunt

Niet van toepassing op gassen.

Vermeld het smeltpunt en het vriespunt bij standaarddruk.

Als het smeltpunt boven het meetbereik van de methode ligt, moet worden vermeld tot welke temperatuur geen smeltpunt is waargenomen.

Indien vóór of tijdens het smelten ontleding of sublimatie plaatsvindt, moet dit worden vermeld.

Voor wassen en pasta’s mag in plaats van het smeltpunt en het vriespunt het verwekingspunt/verwekingstraject worden vermeld.

Indien het voor mengsels technisch niet mogelijk is het smeltpunt/vriespunt te bepalen, moet dit worden vermeld.

e) 

Kookpunt of beginkookpunt en kooktraject

Vermeld deze eigenschappen bij standaarddruk. Er kan echter een kookpunt bij lagere druk worden vermeld indien het kookpunt zeer hoog is of als ontleding plaatsvindt voordat het kookpunt bij standaarddruk wordt bereikt.

Als het kookpunt boven het meetbereik van de methode ligt, moet worden vermeld tot welke temperatuur geen kookpunt is waargenomen.

Indien vóór of tijdens het koken ontleding plaatsvindt, moet dit worden vermeld.

Indien het voor mengsels technisch niet mogelijk is het kookpunt of kooktraject te bepalen, moet dit worden vermeld; in dat geval moet ook het kookpunt worden vermeld van het ingrediënt met het laagste kookpunt.

f) 

Ontvlambaarheid

Van toepassing op gassen, vloeistoffen en vaste stoffen.

Vermeld of de stof of het mengsel ontvlambaar is, d.w.z. of de stof of het mengsel vuur kan vatten of in brand kan worden gestoken, ook als de stof of het mengsel niet zijn onderworpen aan de indelingsprocedures voor ontvlambaarheid.

Indien nadere informatie beschikbaar is, zoals het antwoord op de vraag of het effect van ontbranding anders is dan bij een normale verbranding (bv. een explosie) en de ontvlambaarheid onder niet-standaardomstandigheden, kan die in voorkomend geval worden vermeld.

Op basis van de desbetreffende gevaarsindeling kan meer specifieke informatie over de ontvlambaarheid worden vermeld. Vermeld in dit punt niet de in punt 9.2.1 bedoelde informatie.

g) 

Onderste en bovenste explosiegrens ( 39 )

Niet van toepassing op vaste stoffen.

Vermeld voor brandbare vloeistoffen ten minste de onderste explosiegrens. Als het vlampunt ongeveer -25 °C of hoger is, kan het onmogelijk zijn de bovenste explosiegrens bij standaardtemperatuur te bepalen; in dat geval wordt aanbevolen de bovenste explosiegrens bij een hogere temperatuur te vermelden. Als het vlampunt hoger is dan 20 °C, kan het onmogelijk zijn de onderste of bovenste explosiegrens bij standaardtemperatuur te bepalen; in dat geval wordt aanbevolen zowel de onderste als de bovenste explosiegrens bij een hogere temperatuur te vermelden.

h) 

Vlampunt

Niet van toepassing op gassen, aerosolen en vaste stoffen.

Vermeld voor mengsels een waarde voor het mengsel indien deze beschikbaar is. Vermeld anders het/de vlampunt(en) van de stof(fen) met het laagste vlampunt.

i) 

Zelfontbrandingstemperatuur

Alleen van toepassing op gassen en vloeistoffen.

Vermeld voor mengsels de zelfontbrandingstemperatuur voor het mengsel indien deze beschikbaar is. Als de waarde voor het mengsel niet beschikbaar is, moet de zelfontbrandingstemperatuur van de ingrediënten met de laagste zelfontstekingstemperatuur worden vermeld.

j) 

Ontledingstemperatuur

Alleen van toepassing op zelfontledende stoffen en mengsels, organische peroxiden en andere stoffen en mengsels die kunnen ontleden.

Vermeld de temperatuur van zelfversnellende ontleding (SADT) en het volume waarop die van toepassing is, of de begintemperatuur van de ontleding.

Vermeld of de temperatuur de SADT of de begintemperatuur van de ontleding is.

Als geen ontleding is waargenomen, moet worden vermeld tot welke temperatuur geen ontleding is waargenomen, bv. “geen ontleding waargenomen tot x °C”.

k) 

pH

Niet van toepassing op gassen.

Vermeld de pH van de stof die of het mengsel zoals dat is geleverd, of indien het product een vaste stof is, de pH van een waterige vloeistof of oplossing bij een bepaalde concentratie.

Vermeld de concentratie van de teststof of het testmengsel in water.

l) 

Kinematische viscositeit

Alleen van toepassing op vloeistoffen.

De meeteenheid is mm2/s.

Vermeld voor niet-newtonse vloeistoffen het thixotrope of reopexe gedrag.

m) 

Oplosbaarheid

Vermeld de oplosbaarheid, bij voorkeur bij de standaardtemperatuur.

Vermeld de oplosbaarheid in water.

Ook de oplosbaarheid in andere polaire en niet-polaire oplosmiddelen kan worden vermeld.

Vermeld voor mengsels of het mengsel geheel of alleen gedeeltelijk oplosbaar is in of mengbaar is met water of een ander oplosmiddel.

Vermeld voor nanovormen naast de oplosbaarheid in water ook de oplossingssnelheid in water of in andere relevante biologische of milieumedia.

n) 

Verdelingscoëfficiënt n-octanol/water (logwaarde)

Niet van toepassing op anorganische en ionische vloeistoffen en in de regel niet van toepassing op mengsels.

Vermeld of de gerapporteerde waarde is gebaseerd op tests of op berekeningen.

Vermeld voor nanovormen van een stof waarvoor de verdelingscoëfficiënt n-octanol/water niet van toepassing is, de dispersiestabiliteit in verschillende media.

o) 

Dampspanning

Vermeld de dampspanning, bij voorkeur bij de standaardtemperatuur.

Vermeld voor vluchtige vloeistoffen ook de dampspanning bij 50 °C.

Wanneer één veiligheidsinformatieblad wordt gebruikt voor verschillende varianten van een vloeibaar mengsel of een mengsel van vloeibaar gemaakte gassen, moet voor de dampspanning een bereik worden vermeld.

Vermeld voor vloeibare mengsels of mengsels van vloeibaar gemaakte gassen voor de dampspanning een bereik of ten minste de dampspanning van het/de vluchtigste ingrediënt(en) wanneer de dampspanning van het mengsel vooral wordt bepaald door dat/die ingrediënt(en).

Ook de verzadigde dampconcentratie mag worden vermeld.

p) 

Dichtheid en/of relatieve dichtheid

Alleen van toepassing op vloeistoffen en vaste stoffen.

Vermeld de dichtheid en de relatieve dichtheid, bij voorkeur onder standaardomstandigheden van temperatuur en druk.

Vermeld de absolute dichtheid en/of de relatieve dichtheid met water van 4 °C als referentie (ook soortelijk gewicht genoemd).

Wanneer variaties in dichtheid mogelijk zijn, bv. als gevolg van de productie van charges, of wanneer een veiligheidsinformatieblad wordt gebruikt voor verschillende varianten van een stof of mengsel, mag een bereik worden vermeld.

Het veiligheidsinformatieblad vermeldt of de absolute dichtheid (eenheden bv. g/cm3 of kg/m3 ) en/of de relatieve dichtheid (dimensieloos) wordt gehanteerd.

q) 

Relatieve dampdichtheid

Alleen van toepassing op gassen en vloeistoffen.

Vermeld voor gassen de relatieve dichtheid van het gas met lucht van 20 °C als referentie.

Vermeld voor vloeistoffen de relatieve dampdichtheid met lucht van 20 °C als referentie.

Voor vloeistoffen mag ook de relatieve dichtheid D m van het damp/luchtmengsel bij 20 °C worden vermeld.

r) 

Deeltjeskenmerken

Alleen van toepassing op vaste stoffen.

Vermeld de deeltjesgrootte (mediane equivalente diameter, methode om de diameter te berekenen (op basis van aantal, oppervlakte of volume) en bandbreedte waarbinnen deze mediaanwaarde varieert). Ook andere eigenschappen kunnen worden vermeld, zoals de distributie van de grootte (bv. als een bereik), de vorm en de dimensieverhouding, de aggregatie- en agglomeratietoestand, de specifieke oppervlakte en de stofvorming. Indien de stof in nanovorm voorkomt of indien het verstrekte mengsel een nanovorm bevat, moeten die kenmerken in dit punt worden vermeld of moet ernaar worden verwezen indien dit reeds elders in het veiligheidsinformatieblad is gebeurd.

Source: Content sourced from EUR-Lex and licensed under CC BY 4.0. This is an unofficial presentation; only the official EUR-Lex version is legally authentic.