2.1. Ontplofbare stoffen
2.1. Ontplofbare stoffen
2.1.1.1. Onder de klasse ontplofbare stoffen vallen:
a)
ontplofbare stoffen en mengsels;
b)
ontplofbare voorwerpen, met uitzondering van apparatuur die ontplofbare stoffen of mengsels in zodanige hoeveelheid of van zodanige aard bevat dat onopzettelijke of accidentele ontsteking of inleiding ervan geen effecten buiten die apparatuur teweegbrengt door scherfwerking, brand, rook, warmte of lawaai; en tevens
2.1.1.1. Onder de klasse ontplofbare stoffen vallen:
ontplofbare stoffen en mengsels;
ontplofbare voorwerpen, met uitzondering van apparatuur die ontplofbare stoffen of mengsels in zodanige hoeveelheid of van zodanige aard bevat dat onopzettelijke of accidentele ontsteking of inleiding ervan geen effecten buiten die apparatuur teweegbrengt door scherfwerking, brand, rook, warmte of lawaai; en tevens
niet onder a) en b) hierboven vermelde stoffen, mengsels en voorwerpen die vervaardigd zijn om een praktisch explosief of pyrotechnisch effect teweeg te brengen.
2.1.1.2. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
„ontplofbare stoffen of mengsels”: vaste of vloeibare stoffen of mengsels van stoffen die als zodanig door een chemische reactie gassen kunnen ontwikkelen met een zodanige temperatuur en druk, en met zodanige snelheid dat schade aan de omgeving wordt toegebracht. Hieronder vallen ook pyrotechnische stoffen die geen gassen ontwikkelen;
„pyrotechnische stoffen of mengsels”: stoffen of mengsels van stoffen bestemd om als gevolg van niet-detonatieve, zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties een effect te veroorzaken in de vorm van warmte, licht, geluid, gas of rook of een combinatie daarvan;
„instabiele ontplofbare stoffen”: ontplofbare stoffen of mengsels die thermisch instabiel zijn en/of te gevoelig zijn om normaal te worden behandeld, vervoerd en gebruikt;
„ontplofbare voorwerpen”: voorwerpen die een of meer ontplofbare stoffen of mengsels bevatten;
„pyrotechnische voorwerpen”: voorwerpen die een of meer pyrotechnische stoffen of mengsels bevatten;
„intentionele ontplofbare stoffen”: stoffen, mengsels en voorwerpen die vervaardigd zijn om een praktisch explosief of pyrotechnisch effect teweeg te brengen.
2.1.2. Indelingscriteria
2.1.2.1. Stoffen, mengsels en voorwerpen van deze klasse worden als instabiele ontplofbare stoffen ingedeeld op basis van de flowchart in figuur 2.1.2.
►M4
De testmethoden staan beschreven in deel I van de UN RTDG, Manual of Tests and Criteria. ◄
2.1.2.2. Stoffen, mengsels en voorwerpen van deze klasse die niet als instabiele ontplofbare stof zijn ingedeeld, worden aan de hand van het soort gevaar dat zij opleveren in een van de volgende subklassen ingedeeld:
a)
Subklasse 1.1 stoffen, mengsels en voorwerpen met gevaar voor massa-explosie (een massa-explosie is een explosie die vrijwel onmiddellijk nagenoeg de volledige aanwezige hoeveelheid treft);
b)
Subklasse 1.2 stoffen, mengsels en voorwerpen met gevaar voor scherfwerking, maar zonder gevaar voor massa-explosie;
c)
Subklasse 1.3 stoffen, mengsels en voorwerpen met gevaar voor brand en hetzij een gering gevaar voor luchtdrukwerking, hetzij een gering gevaar voor scherfwerking, of beide, maar zonder gevaar voor massa-explosie:
i)
waarvan de verbranding aanzienlijke warmtestraling oplevert; of
ii)
die een voor een uitbranden, waarbij een geringe luchtdruk- of scherfwerking, of beide, optreden;
d)
Subklasse 1.4 stoffen, mengsels en voorwerpen die geen groot gevaar opleveren:
—
stoffen, mengsels en voorwerpen die slechts een gering gevaar opleveren bij ontsteking of inleiding. De gevolgen blijven in hoofdzaak beperkt tot de verpakking en er valt geen scherfwerking van enige omvang of reikwijdte te verwachten. Een van buitenaf inwerkende brand mag niet leiden tot een vrijwel onmiddellijke ontploffing van nagenoeg de gehele inhoud van de verpakking;
e)
Subklasse 1.5 zeer weinig gevoelige stoffen of mengsels met gevaar voor massa-explosie:
—
stoffen en mengsels met gevaar voor massa-explosie, maar die zo weinig gevoelig zijn dat er onder normale omstandigheden een zeer geringe kans bestaat op inleiding of op de overgang van verbranding naar detonatie;
2.1.2.1. Stoffen, mengsels en voorwerpen van deze klasse worden als instabiele ontplofbare stoffen ingedeeld op basis van de flowchart in figuur 2.1.2. ►M4 De testmethoden staan beschreven in deel I van de UN RTDG, Manual of Tests and Criteria. ◄
2.1.2.2. Stoffen, mengsels en voorwerpen van deze klasse die niet als instabiele ontplofbare stof zijn ingedeeld, worden aan de hand van het soort gevaar dat zij opleveren in een van de volgende subklassen ingedeeld:
Subklasse 1.1 stoffen, mengsels en voorwerpen met gevaar voor massa-explosie (een massa-explosie is een explosie die vrijwel onmiddellijk nagenoeg de volledige aanwezige hoeveelheid treft);
Subklasse 1.2 stoffen, mengsels en voorwerpen met gevaar voor scherfwerking, maar zonder gevaar voor massa-explosie;
Subklasse 1.3 stoffen, mengsels en voorwerpen met gevaar voor brand en hetzij een gering gevaar voor luchtdrukwerking, hetzij een gering gevaar voor scherfwerking, of beide, maar zonder gevaar voor massa-explosie:
waarvan de verbranding aanzienlijke warmtestraling oplevert; of
die een voor een uitbranden, waarbij een geringe luchtdruk- of scherfwerking, of beide, optreden;
Subklasse 1.4 stoffen, mengsels en voorwerpen die geen groot gevaar opleveren:
Subklasse 1.5 zeer weinig gevoelige stoffen of mengsels met gevaar voor massa-explosie:
Subklasse 1.6 extreem weinig gevoelige voorwerpen zonder gevaar voor massa-explosie:
2.1.2.3. Ontplofbare stoffen die niet als instabiele ontplofbare stof zijn ingedeeld, worden in een van de zes, in punt 2.1.2.2 van deze bijlage bedoelde subklassen ingedeeld op basis de testreeksen 2 tot en met 8 in deel I van de ►M4 UN RTDG ◄ , Manual of Tests and Criteria aan de hand van de resultaten van de in tabel 2.1.1 vermelde tests:
Tabel 2.1.1
Criteria voor ontplofbare stoffen
|
Categorie |
Criteria |
|
Instabiele ontplofbare stoffen of ontplofbare stoffen van de subklassen 1.1 t/m 1.6 |
Voor ontplofbare stoffen van de subklassen 1.1 tot en met 1.6 wordt de volgende basistestreeks uitgevoerd: |
|
Ontplofbaarheid: VN-testreeks 2 (afdeling 12 van de ►M4 UN RTDG ◄ , Manual of Tests and Criteria). Intentionele ontplofbare stoffen () worden niet aan VN-testreeks 2 onderworpen. |
|
|
Gevoeligheid: VN-testreeks 3 (afdeling 13 van de ►M4 UN RTDG ◄ , Manual of Tests and Criteria). |
|
|
Thermische stabiliteit: VN-testreeks 3(c) (onderafdeling 13.6.1 van de ►M4 UN RTDG ◄ , Manual of Tests and Criteria). Nadere tests zijn noodzakelijk voor de indeling in de juiste subklasse. |
|
|
(1)
Hieronder vallen stoffen, mengsels en voorwerpen die vervaardigd zijn om een praktisch explosief of pyrotechnisch effect teweeg te brengen. |
|
2.1.2.4. Als ontplofbare stoffen onverpakt zijn of zijn herverpakt in een andere verpakking dan de oorspronkelijke verpakking of een soortgelijke verpakking, worden zij opnieuw getest.
2.1.3. Voorlichting over de gevaren
Voor stoffen, mengsels en voorwerpen die aan de criteria voor indeling in deze gevarenklasse voldoen, worden de in tabel 2.1.2 vermelde etiketteringselementen gebruikt.
Tabel 2.1.2
Etiketteringselementen voor ontplofbare stoffen
|
Indeling |
Instabiele ontplofbare stof |
Subklasse 1.1 |
Subklasse 1.2 |
Subklasse 1.3 |
Subklasse 1.4 |
Subklasse 1.5 |
Subklasse 1.6 |
|
GHS-pictogrammen |
|
|
|
|
|
|
|
|
Signaalwoord |
Gevaar |
Gevaar |
Gevaar |
Gevaar |
Waarschuwing |
Gevaar |
Geen signaalwoord |
|
Gevarenaanduiding |
H200: Instabiele ontplofbare stof |
H201: Ontplofbare stof; gevaar voor massaexplosie |
H202: Ontplofbare stof; ernstig gevaar voor scherfwerking |
H203: Ontplofbare stof; gevaar voor brand, luchtdrukwerking of scherfwerking |
H204: Gevaar voor brand of scherfwerking |
H205: Gevaar voor massaexplosie bij brand |
Geen gevarenaanduiding |
|
Veiligheidsaanbevelingen i.v.m. preventie |
P201 P250 P280 |
P210 P230 P234 P240 P250 P280 |
P210 P230 P234 P240 P250 P280 |
P210 P230 P234 P240 P250 P280 |
P210 P234 P240 P250 P280 |
P210 P230 P234 P240 P250 P280 |
Geen veiligheidsaanbevelingen |
|
Veiligheidsaanbevelingen i.v.m. reactie |
P370 + P372 + P380 + P373 |
P370 + P372 + P380 + P373 |
P370 + P372 + P380 + P373 |
P370 + P372 + P380 + P373 |
P370 + P372 + P380 + P373 P370 + P380 + P375 |
P370 + P372 + P380 + P373 |
Geen veiligheidsaanbevelingen |
|
Veiligheidsaanbevelingen i.v.m. opslag |
P401 |
P401 |
P401 |
P401 |
P401 |
P401 |
Geen veiligheidsaanbevelingen |
|
Veiligheidsaanbevelingen i.v.m. verwijdering |
P501 |
P501 |
P501 |
P501 |
P501 |
P501 |
Geen veiligheidsaanbevelingen |
NOOT 1: Onverpakte ontplofbare stoffen of ontplofbare stoffen die zijn herverpakt in een andere verpakking dan de oorspronkelijke verpakking of een soortgelijke verpakking, worden voorzien van alle onderstaande etiketteringselementen:
het pictogram: ontploffende bom;
het signaalwoord „Gevaar”, en
de gevarenaanduiding: „Ontplofbare stof; gevaar voor massaexplosie”
tenzij aangetoond is dat het gevaar met een van de gevarencategorieën in tabel 2.1.2 overeenkomt, in welk geval de daarmee overeenkomende symbolen, signaalwoorden en/of gevarenaanduidingen worden toegekend.
NOOT 2: Stoffen en mengsels met een positief resultaat in testreeks 2 in deel I, afdeling 12, van de UN RDTG, Manual of Tests and Criteria die zijn vrijgesteld van indeling als ontplofbare stoffen (op basis van een negatief resultaat in testreeks 6 in deel I, afdeling 16, van de UN RDTG, Manual of Tests and Criteria) hebben nog steeds explosieve eigenschappen. De gebruiker wordt in kennis gesteld van deze intrinsieke explosieve eigenschappen omdat hier rekening mee moet worden gehouden bij de behandeling — met name wanneer de stof of het mengsel uit de verpakking wordt genomen of wordt herverpakt — en bij de opslag. Daarom worden de explosieve eigenschappen van de stof of het mengsel bekendgemaakt in rubriek 2 (identificatie van de gevaren) en rubriek 9 (fysische en chemische eigenschappen) van het veiligheidsinformatieblad en andere rubrieken van het veiligheidsinformatieblad, indien van toepassing.
2.1.4. Aanvullende overwegingen bij de indeling
2.1.4.1. De indeling van stoffen, mengsels en voorwerpen in gevarenklassen voor ontplofbare stoffen en de verdere indeling in subklassen is een zeer complexe procedure, die uit drie stappen bestaat. Er moet verwezen worden naar deel I van de
►M4
UN RTDG ◄ , Manual of Tests and Criteria.
2.1.4.1. De indeling van stoffen, mengsels en voorwerpen in gevarenklassen voor ontplofbare stoffen en de verdere indeling in subklassen is een zeer complexe procedure, die uit drie stappen bestaat. Er moet verwezen worden naar deel I van de ►M4 UN RTDG ◄ , Manual of Tests and Criteria.
Als eerste stap wordt nagegaan of de stof of het mengsel ontplofbaar is (testreeks 1). De tweede stap is de acceptatieprocedure (testreeksen 2 tot en met 4) en de derde stap is de indeling in een gevarensubklasse (testreeksen 5 tot en met 7). De vraag of een kandidaat voor „ammoniumnitraatemulsie, -suspensie of -gel, tussenproduct voor brisante ontplofbare stoffen (ANE)” voldoende weinig gevoelig is om te worden opgenomen als oxiderende vloeistof (punt 2.13) of oxiderende vaste stof (punt 2.14), wordt beantwoord met behulp van de tests van testreeks 8.
Bepaalde ontplofbare stoffen en mengsels worden bevochtigd met water of alcohol, verdund met andere stoffen, of opgelost of in suspensie gebracht in water of andere vloeistoffen om hun explosieve eigenschappen te onderdrukken. Deze komen in aanmerking voor indeling als ongevoelig gemaakte ontplofbare stoffen (zie afdeling 2.17).
Bepaalde fysische gevaren (als gevolg van explosieve eigenschappen) worden gewijzigd door verdunning, zoals het geval is bij ongevoelig gemaakte ontplofbare stoffen, door opname in een mengsel of voorwerp, door verpakking of door andere factoren.
De indelingsprocedure volgt het onderstaande stroomschema (zie figuren 2.1.1 tot en met 2.1.4).
Figuur 2.1.1
Algemeen schema van de indelingsprocedure voor een stof, mengsel of voorwerp in de klasse ontplofbare stoffen (vervoersklasse 1)
Figuur 2.1.2
Procedure voor de voorlopige acceptatie van een stof, mengsel of voorwerp in de klasse ontplofbare stoffen (vervoersklasse 1)
Figuur 2.1.3
Procedure voor het indelen van ontplofbare stoffen in een subklasse (vervoersklasse 1)
(1) Zie hoofdstuk 3.3 van de UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Model Regulations voor nadere bijzonderheden.
Figuur 2.1.4
Indelingsprocedure voor ammoniumnitraatemulsie, -suspensie of -gel (ANE)
2.1.4.2. Screeningprocedure
Explosieve eigenschappen worden geassocieerd met de aanwezigheid van bepaalde chemische groepen in een molecuul die een reactie kunnen veroorzaken waarbij de temperatuur of de druk zeer snel toeneemt. De screeningprocedure is bedoeld om vast te stellen of dergelijke reactieve groepen aanwezig zijn en of snel energie kan vrijkomen. Indien de screeningprocedure uitwijst dat de stof of het mengsel een potentiële ontplofbare stof is, wordt de acceptatieprocedure toegepast (zie afdeling 10.3 van de ►M4 UN RTDG ◄ , Manual of Tests and Criteria).
Noot
Als de exotherme ontledingsenergie van organische materialen lager is dan 800 J/g, is geen test op detonatievoortplanting (reeks 1, type a) en geen test op gevoeligheid voor detonatieschok (reeks 2, type a) vereist. Voor organische stoffen en mengsels van organische stoffen met een ontledingsenergie van 800 J/g of meer hoeven de tests 1 a) en 2 a) niet uitgevoerd te worden als het resultaat van de ballistische-mortiertest Mk.IIId test (F.1) of de ballistische-mortiertest (F.2) of de BAM Trauzl-test (F.3) met inleiding door een standaarddetonator nr. 8 „neen” is (zie appendix 1 van het UN RTDG, Manual of Tests and Criteria). In dat geval worden de resultaten van test 1 a) en 2 a) geacht „—” te zijn.
2.1.4.3. De acceptatieprocedure voor de gevarenklasse „ontplofbare stoffen” hoeft niet te worden toegepast indien:
het molecuul geen chemische groepen bevat die met ontploffingsgevaar worden geassocieerd. Voorbeelden van groepen die explosieve eigenschappen kunnen vertonen, worden gegeven in tabel A6.1 in aanhangsel 6 van de ►M4 UN RTDG ◄ , Manual of Tests and Criteria; of
de stof chemische groepen bevat die met explosieve eigenschappen worden geassocieerd die zuurstof bevatten en de berekende zuurstofbalans lager is dan - 200.
De zuurstofbalans wordt berekend voor de chemische reactie:
CxHyOz + [x + (y/4) - (z/2)] O2 → x CO2 + (y/2) H2O
Gebruikte formule:
zuurstofbalans = -1 600 [2x + (y/2) - z]/molecuulgewicht;
voor één organische stof of een homogeen mengsel van organische stoffen, die chemische groepen bevat die met explosieve eigenschappen worden geassocieerd:
zoals aangegeven in tabel 2.1.3.
Tabel 2.1.3
Besluit om de acceptatieprocedure te gebruiken voor de gevarenklasse „Ontplofbare stoffen” voor een organische stof of een homogeen mengsel van organische stoffen
|
Ontledingsenergie (J/g) |
Begintemperatuur van de ontleding (°C) |
Acceptatieprocedure toepassen? (Ja/Neen) |
|
< 500 |
< 500 |
Neen |
|
< 500 |
≥ 500 |
Neen |
|
≥ 500 |
< 500 |
Ja |
|
≥ 500 |
≥ 500 |
Neen |
De exotherme ontledingsenergie kan worden geschat met een geschikte calorimetrische techniek (zie onderafdeling 20.3.3.3 van de UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Manual of Tests and Criteria).
bij mengsels van anorganische oxiderende stoffen met een of meer organische materialen, de concentratie van de anorganische oxiderende stof:
2.1.4.4. Bij mengsels die bekende ontplofbare stoffen bevatten, wordt de acceptatieprocedure toegepast.