1.1. Bij elke vermelding opgenomen gegevens
1.1. Bij elke vermelding opgenomen gegevens
1.1.1.1. Catalogusnummers
De vermeldingen in deel 3 zijn gerangschikt aan de hand van het atoomnummer van het element dat het meest kenmerkend is voor de eigenschappen van deze stoffen. Organische stoffen zijn vanwege hun verscheidenheid in klassen onderverdeeld. Het catalogusnummer van elke stof bestaat uit een reeks cijfers in het formaat ABC-RST-VW-Y. ABC komt overeen met het atoomnummer van het meest kenmerkende element of de meest kenmerkende organische groep in het molecuul. RST is het volgnummer van de stof binnen de reeks stoffen met dezelfde code ABC. VW is een code voor de vorm waarin de stof wordt geproduceerd of op de markt gebracht. Y is het controlecijfer dat volgens de methode voor de tiencijferige ISBN-methode wordt berekend. Het staat vermeld in de kolom „indexnummer”.
1.1.1.2. EC-nummer
Het EC-nummer, d.w.z. EINECS, ELINCS of NLP, is het officiële nummer van de stof binnen de Europese Unie. Het EINECS-nummer kan worden verkregen van de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (EINECS) ( 21 ). Het ELINCS-nummer kan worden verkregen van de Europese lijst van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan (European List of Notified Chemical Substances) (met wijzigingen) (EUR 22543 EN, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 2006, ISSN 1018-5593). Het NLP-nummer kan worden verkregen van de lijst „No-longer-polymers” (met wijzigingen) (Document, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 1997, ISBN 92-827-8995-0). Het EC-nummer bestaat uit zeven cijfers in het formaat XXX-XXX-X, met als eerste nummer 200-001-8 (EINECS), 400-010-9 (ELINCS) en 500-001-0 (NLP). Het staat vermeld in de kolom „EC-nummer”.
1.1.1.3. CAS-nummer
Tevens wordt het CAS-nummer (het nummer van de Chemical Abstracts Service) vermeld om identificatie van de stof te vergemakkelijken. Er dient te worden opgemerkt dat voor de watervrije en gehydrateerde vormen van een stof hetzelfde EINECS-nummer wordt gebruikt, terwijl de CAS-nummers voor de watervrije en gehydrateerde vormen vaak verschillen. Het vermelde CAS-nummer is uitsluitend het nummer van de watervrije vorm en vormt derhalve niet altijd een even exacte beschrijving van de stof als het EINECS-nummer. Het staat vermeld in de kolom „CAS-nummer”.
1.1.1.4. ►M18 Chemische naam ◄
Gevaarlijke stoffen zijn zo veel mogelijk onder hun Iupac-naam opgenomen. Stoffen die in de EINECS-, ELINCS- of „No-longer-polymers”-lijst staan, zijn onder de in de desbetreffende lijst vermelde naam opgenomen. Andere namen, zoals gewone of gebruikelijke namen, zijn in sommige gevallen opgenomen. Gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn zo veel mogelijk onder hun ISO-naam opgenomen.
Verontreinigingen, additieven en bestanddelen met een lage concentratie worden meestal niet vermeld, tenzij zij belangrijk zijn voor de indeling van de stof.
Bij sommige stoffen wordt voor de zuiverheidsgraad een specifiek percentage vermeld. Stoffen met een hoger gehalte aan actief materiaal (bv. een organisch peroxide) dan dat percentage vallen niet onder de in deel 3 vermelde stof en kunnen andere gevaarlijke eigenschappen hebben (bv. ontploffingsgevaar), aan de hand waarvan zij moeten worden ingedeeld en geëtiketteerd.
Wanneer specifieke concentratiegrenzen worden opgegeven, gelden deze voor de vermelde stof of stoffen. Vooral wanneer het gaat om mengsels van stoffen of stoffen waarbij voor de zuiverheidsgraad een specifiek percentage is vermeld, gelden de grenswaarden voor de stof zoals in deel 3 beschreven, en niet voor de zuivere stof.
Onverminderd artikel 17, lid 2, moet voor stoffen die in deel 3 voorkomen een van de daar gegeven benamingen als naam van de stof op het etiket worden gebruikt. Voor sommige stoffen is tussen vierkante haken aanvullende informatie vermeld om identificatie van de stof te vergemakkelijken. Deze aanvullende informatie hoeft niet op het etiket te worden vermeld.
Voor sommige stoffen worden gegevens over verontreinigingen vermeld; in dat geval wordt de naam van de stof gevolgd door de tekst: „(met ≥ xx % verontreiniging)”. In dat geval maakt de informatie tussen haakjes deel uit van de naam en moet ook deze op het etiket worden vermeld.
1.1.1.5. Groepen stoffen
In een aantal gevallen zijn stoffen als groep in deel 3 opgenomen. In die gevallen gelden de indelings- en etiketteringsvoorschriften voor alle onder de beschrijving vallende stoffen.
In sommige gevallen zijn er indelings- en etiketteringsvoorschriften voor specifieke stoffen die onder de groepsvermelding zouden vallen. In dat geval wordt de stof apart in deel 3 vermeld en wordt aan de groepsvermelding de zin „tenzij elders in deze bijlage vermeld” toegevoegd.
In sommige gevallen kunnen bepaalde stoffen onder meer dan een groepsvermelding vallen. In dat geval moet de etikettering van de stof voldoen aan de etiketteringsvoorschriften voor beide groepsvermeldingen. Wanneer verschillende indelingen voor hetzelfde gevaar worden gegeven, wordt voor de strengste indeling gekozen.
Wanneer in deel 3 zouten zijn opgenomen (onder welke benaming dan ook), vallen zowel de watervrije als de gehydrateerde vormen hieronder, tenzij anders is vermeld.
EC- of CAS-nummers worden meestal niet vermeld voor mengsels van meer dan vier verschillende stoffen.
1.1.2. Gegevens over de indeling en etikettering van elke stof in tabel 3
1.1.2.1. Codes voor de indeling
1.1.2.1.1.
De indeling van elke stof is gebaseerd op de criteria van bijlage I, overeenkomstig artikel 13, onder a), en aangegeven met een code voor de gevarenklasse en de categorie of categorieën/subklassen/soorten binnen die gevarenklasse.
De gevarenklasse en de categoriecodes voor elke gevarencategorie/subklasse/soort binnen een klasse staan vermeld in tabel 1.1.
Tabel 1.1
|
Gevarenklasse |
Gevarenklasse en categoriecode |
|
Ontplofbaar |
Unst. Expl. Expl. 1.1 Expl. 1.2 Expl. 1.3 Expl. 1.4 Expl. 1.5 Expl. 1.6 |
|
Ontvlambare gassen |
Flam. Gas 1A Flam. Gas 1B Flam. Gas 2 Pyr. Gas Chem. Unst. Gas A Chem. Unst. Gas B |
|
Aerosol |
Aerosol 1 Aerosol 2 Aerosol 3 |
|
Oxiderend gas |
Ox. Gas 1 |
|
Gassen onder druk |
Press. Gas (*1) |
|
Ontvlambare vloeistof |
Flam. Liq. 1 Flam. Liq. 2 Flam. Liq. 3 |
|
Ontvlambare vaste stof |
Flam. Sol. 1 Flam. Sol. 2 |
|
Zelfontledende stof of mengsel |
Self-react. A Self-react. B Self-react. CD Self-react. EF Self-react. G |
|
Pyrofore vloeistof |
Pyr. Liq. 1 |
|
Pyrofore vaste stof |
Pyr. Sol. 1 |
|
Voor zelfverhitting vatbare stof of mengsel |
Self-heat. 1 Self-heat. 2 |
|
Stof die of mengsel dat in contact met water ontvlambare gassen ontwikkelt |
Water-react. 1 Water-react. 2 Water-react. 3 |
|
Oxiderende vloeistof |
Ox. Liq. 1 Ox. Liq. 2 Ox. Liq. 3 |
|
Oxiderende vaste stof |
Ox. Sol. 1 Ox. Sol. 2 Ox. Sol. 3 |
|
Organisch peroxide |
Org. Perox. A Org. Perox. B Org. Perox. CD Org. Perox. EF Org. Perox. G |
|
Voor metalen bijtend(e) stof of mengsel |
Met. Corr. 1 |
|
Ongevoelig gemaakte ontplofbare stoffen |
Desen. Expl. 1 Desen. Expl. 2 Desen. Expl. 3 Desen. Expl. 4 |
|
Acute toxiciteit |
Acute Tox. 1 Acute Tox. 2 Acute Tox. 3 Acute Tox. 4 |
|
Huidcorrosie/-irritatie |
Skin Corr. 1 Skin Corr. 1A Skin Corr. 1B Skin Corr. 1C Skin Irrit. 2 |
|
Ernstig oogletsel/oogirritatie |
Eye Dam. 1 Eye Irrit. 2 |
|
Sensibilisatie van de luchtwegen/de huid |
|
|
Mutageniteit in geslachtscellen |
Muta. 1A Muta. 1B Muta. 2 |
|
Kankerverwekkendheid |
Carc. 1A Carc. 1B Carc. 2 |
|
Voortplantingstoxiciteit |
Repr. 1A Repr. 1B Repr. 2 Lact. |
|
Specifieke doelorgaantoxiciteit — eenmalige blootstelling |
STOT SE 1 STOT SE 2 STOT SE 3 |
|
Specifieke doelorgaantoxiciteit — herhaalde blootstelling |
STOT RE 1 STOT RE 2 |
|
Aspiratiegevaar |
Asp. Tox. 1 |
|
Hormoonontregelaar met gevolgen voor de menselijke gezondheid |
ED HH 1 ED HH 2 |
|
Gevaar voor het aquatisch milieu |
Aquatic Acute 1 Aquatic Chronic 1 Aquatic Chronic 2 Aquatic Chronic 3 Aquatic Chronic 4 |
|
Hormoonontregelaar met gevolgen voor het milieu |
ED ENV 1 ED ENV 2 |
|
Persistent, bioaccumulerend en toxisch Zeer persistent en zeer bioaccumulerend |
PBT zPzB |
|
Persistent, mobiel en toxisch Zeer persistent en zeer mobiel |
PMT zPzM |
|
Gevaarlijk voor de ozonlaag |
|
|
(*1)
Zie noot U in 1.1.3. |
|
1.1.2.1.2.
De gevarenaanduidingen die overeenkomstig artikel 13, onder b), zijn toegekend, zijn aangegeven overeenkomstig bijlage III. Voor bepaalde gevarenaanduidingen zijn bovendien aan de driecijferige gevarenaanduidingcodes letters toegevoegd. De volgende aanvullende codes worden gebruikt:
|
H350i |
Kan kanker veroorzaken bij inademing. |
|
H360F |
Kan de vruchtbaarheid schaden. |
|
H360D |
Kan het ongeboren kind schaden. |
|
H361f |
Wordt ervan verdacht de vruchtbaarheid te schaden. |
|
H361d |
Wordt ervan verdacht het ongeboren kind te schaden. |
|
H360FD |
Kan de vruchtbaarheid schaden. Kan het ongeboren kind schaden. |
|
H361fd |
Wordt ervan verdacht de vruchtbaarheid te schaden. Wordt ervan verdacht het ongeboren kind te schaden. |
|
H360Fd |
Kan de vruchtbaarheid schaden. Wordt ervan verdacht het ongeboren kind te schaden. |
|
H360Df |
Kan het ongeboren kind schaden. Wordt ervan verdacht de vruchtbaarheid te schaden. |
1.1.2.2. Etiketteringscodes
In de kolom voor de etikettering zijn de volgende elementen aangegeven:
de gevarenpictogramcodes zoals beschreven in bijlage V, overeenkomstig de voorrangsregels in artikel 26;
de signaalwoordcode „Gvr” voor „Gevaar” of „Wrschwng” voor „Waarschuwing”, overeenkomstig de voorrangsregel in artikel 20, lid 3;
de gevarenaanduidingscodes zoals beschreven in bijlage III, overeenkomstig de indeling;
de codes voor de bijkomende aanduidingen die zijn toegewezen overeenkomstig artikel 25, lid 1, en de regels beschreven in bijlage II, deel 1.
1.1.2.3. Specifieke concentratiegrenzen, M-factoren en acute toxiciteitsschattingen (ATE's)
Indien er voor een bepaalde categorie specifieke concentratiegrenzen zijn die verschillen van de algemene concentratiegrenzen in bijlage I, zijn deze in een aparte kolom aangegeven, met de bijbehorende indeling; hiervoor zijn dezelfde codes gebruikt als in sectie 1.1.2.1.1. In diezelfde kolom van tabel 3 worden ook geharmoniseerde ATE's weergegeven. De specifieke concentratiegrenzen en geharmoniseerde ATE's moeten door de fabrikant, importeur of downstreamgebruiker worden gebruikt voor de indeling van een mengsel dat die stof bevat. Wanneer een ATE wordt gebruikt, moet de in punt 3.1.3.6 van bijlage I omschreven somformule worden toegepast. Indien in deze bijlage geen specifieke concentratiegrenzen voor een bepaalde categorie zijn aangegeven, gelden de algemene concentratiegrenzen van bijlage I voor de indeling van stoffen die bepaalde verontreinigingen, additieven of afzonderlijke bestanddelen bevatten, of voor mengsels. Wanneer geen geharmoniseerde ATE's beschikbaar zijn, wordt de correcte waarde vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens.
Tenzij anders vermeld, worden de concentratiegrenzen uitgedrukt als gewichtspercentage van de stof, berekend ten opzichte van het totaalgewicht van het mengsel.
Indien voor stoffen die als gevaarlijk voor het aquatisch milieu zijn ingedeeld in de categorieën Aquatic Acute 1 of Aquatic Chronic 1 een M-factor geharmoniseerd is, is die M-factor in tabel 3 aangegeven in dezelfde kolom als de specifieke concentratiegrenzen. Indien zowel voor Aquatic Acute 1 als voor Aquatic Chronic 1 een M-factor geharmoniseerd is, wordt elke M-factor op dezelfde regel vermeld als de bijbehorende onderverdeling. Indien in tabel 3 slechts één M-factor staat en de stof als Aquatic Acute 1 en Aquatic Chronic 1 is ingedeeld, gebruikt de fabrikant, importeur of downstreamgebruiker die M-factor voor de indeling van een mengsel dat deze stof bevat voor acuut aquatisch gevaar en aquatisch gevaar op lange termijn met de optelmethode. Is in tabel 3 geen M-factor aangegeven, dan bepaalt de fabrikant, importeur of downstreamgebruiker op basis van de voor de stof beschikbare gegevens een of meer M-factoren. Voor de bepaling en het gebruik van M-factoren, zie punt 4.1.3.5.5.5 van bijlage I.
1.1.3. Noten
De bij een stof behorende noten zijn opgenomen in de kolom „Noten”. Deze noten worden hieronder toegelicht.
1.1.3.1. Noten betreffende de identificatie, indeling en etikettering van stoffen
Onverminderd artikel 17, lid 2, moet op het etiket als naam van de stof een van de benamingen uit deel 3 worden gebruikt.
In deel 3 wordt soms een algemene benaming gebruikt, zoals „verbindingen” of „zouten”. In dat geval moet de leverancier op het etiket de juiste naam vermelden, met inachtneming van sectie 1.1.1.4.
Sommige stoffen (zoals zuren en basen) worden als waterige oplossingen met uiteenlopende concentraties op de markt gebracht en deze oplossingen moeten derhalve, al naar het aan iedere concentratie verbonden gevaar, anders worden ingedeeld en geëtiketteerd.
Wanneer in deel 3 noot B wordt vermeld, wordt een algemene benaming gebruikt zoals: „salpeterzuur … %”.
In dat geval moet de leverancier op het etiket de concentratie in procenten vermelden. Tenzij dit anders wordt vermeld, wordt aangenomen dat de concentratie is berekend op basis van het gewichtspercentage.
Sommige organische stoffen kunnen in de vorm van een specifiek isomeer of als mengsel van verschillende isomeren op de markt worden gebracht.
In dat geval moet de leverancier op het etiket vermelden of de stof een specifiek isomeer of een mengsel van isomeren is.
Sommige stoffen die spontaan kunnen polymeriseren of ontleden, worden meestal in een gestabiliseerde vorm op de markt gebracht. In deel 3 zijn die stoffen in gestabiliseerde vorm opgenomen.
Dergelijke stoffen worden echter soms in een niet-gestabiliseerde vorm in de handel gebracht. In dat geval moet de leverancier op het etiket de naam van de stof met daaraan toegevoegd de vermelding „niet-gestabiliseerd” aangeven.
▼M15 —————
Deze stof kan een stabilisator bevatten. Indien de gevaarlijke eigenschappen van de stof, zoals vermeld bij de indeling in deel 3, door de toevoeging van deze stabilisator veranderen, moeten voor de indeling en etikettering de voorschriften voor de indeling en etikettering van gevaarlijke mengsels worden gevolgd.
Deze stof kan in een ontplofbare vorm op de markt worden gebracht, in welk geval zij met behulp van de onderzoekmethoden daarvoor moet worden beoordeeld. Uit de indeling blijkt het ontploffingsgevaar en op het etiket wordt dit gevaar vermeld.
▼M2 —————
De geharmoniseerde indeling van de stof als kankerverwekkend of mutageen is van toepassing, tenzij kan worden aangetoond dat zij minder dan 0,1 % (g/g) benzeen (Einecs-nr. 200-753-7) bevat, in welk geval ook voor die gevarenklassen de stof overeenkomstig titel II van deze verordening wordt ingedeeld.
De geharmoniseerde indeling van de stof als kankerverwekkend of mutageen is van toepassing, tenzij kan worden aangetoond dat zij minder dan 0,1 % (g/g) 1,3-butadieen (Einecs-nr. 203-450-8) bevat, in welk geval ook voor die gevarenklassen de stof overeenkomstig titel II van deze verordening wordt ingedeeld. Als de stof niet als kankerverwekkend of mutageen wordt ingedeeld, gelden hiervoor minimaal de voorzorgsmaatregelen (P102-)P210-P403.
De geharmoniseerde indeling van de stof als kankerverwekkend is van toepassing, tenzij kan worden aangetoond dat zij minder dan 3 % dimethylsulfoxide-extract bevat, gemeten volgens IP 346 („Determination of polycyclic aromatics in unused lubricating base oils and asphaltene free petroleum fractions — Dimethyl sulphoxide extraction refractive index method”, Institute of Petroleum, Londen), in welk geval ook voor die gevarenklasse de stof overeenkomstig titel II van deze verordening wordt ingedeeld.
De geharmoniseerde indeling van de stof als kankerverwekkend is van toepassing, tenzij kan worden aangetoond dat zij minder dan 0,005 % (g/g) benzo(a)pyreen (Einecs-nr. 200-028-5) bevat, in welk geval ook voor die gevarenklasse de stof overeenkomstig titel II van deze verordening wordt ingedeeld.
De geharmoniseerde indeling van de stof als kankerverwekkend is van toepassing, tenzij kan worden aangetoond dat volledig bekend is hoe de raffinage daarvan is verlopen en kan worden aangetoond dat zij is geproduceerd uit een stof die niet kankerverwekkend is, in welk geval ook voor die gevarenklasse de stof overeenkomstig titel II van deze verordening wordt ingedeeld.
De geharmoniseerde indeling van de stof als kankerverwekkend of mutageen is van toepassing, tenzij kan worden aangetoond dat zij minder dan 0,1 % (g/g) benzeen (Einecs-nr. 200-753-7) bevat, in welk geval ook voor die gevarenklassen de stof overeenkomstig titel II van deze verordening wordt ingedeeld.
Als de stof niet als kankerverwekkend of mutageen wordt ingedeeld, gelden hiervoor minimaal de voorzorgsmaatregelen (P102-)P260-P262-P301 + P310-P331.
De geharmoniseerde indeling van de stof als kankerverwekkend is van toepassing, tenzij zij aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
De geharmoniseerde indeling van een stof als kankerverwekkend is van toepassing, behalve in het geval van vezels waarvan het naar lengte gewogen meetkundig gemiddelde van de diameter (Length Weighted Geometric Mean Diameter — LWGMD), minus twee keer de meetkundige standaardfout, groter is dan 6 μm, zoals gemeten overeenkomstig testmethode A.22 in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 440/2008 van de Commissie ( *4 ).
Voor deze stof is eventueel geen etiket overeenkomstig artikel 17 vereist (zie punt 1.3 van bijlage I) (tabel 3).
Deze stof mag in de handel worden gebracht in een vorm die niet de fysische gevaren heeft die overeenkomen met de indeling in deel 3. Als uit de resultaten van de desbetreffende methode(n) overeenkomstig deel 2 van Bijlage I bij deze verordening blijkt dat de specifieke vorm waarin de stof in de handel gebracht wordt, deze fysische eigenschap of dit fysisch gevaar niet vertoont, wordt de stof ingedeeld aan de hand van de uitkomst van deze test(s). In het veiligheidsinformatieblad worden hierover gegevens verstrekt, waaronder een verwijzing naar de testmethode(n).
Als zij in de handel worden gebracht, moeten gassen worden ingedeeld als „gassen onder druk”, in een van de groepen samengeperst gas, vloeibaar gas, sterk gekoeld vloeibaar gas of opgelost gas. De groep hangt af van de fysische toestand waarin het gas is verpakt en moet daarom per geval worden toegewezen. De volgende codes worden toegekend:
Aerosolen worden niet als gassen onder druk ingedeeld (zie bijlage I, deel 2, punt 2.3.2.1, noot 2).
Als de stof in de handel wordt gebracht in de vorm van vezels (met diameter < 3 μm, lengte > 5 μm en dimensieverhouding ≥ 3:1), in de vorm van deeltjes van de stof die aan de vezelcriteria van de WHO voldoen, in de vorm van deeltjes met gemodificeerde oppervlaktechemie, moeten hun gevaarlijke eigenschappen worden geëvalueerd overeenkomstig titel II van deze verordening om te beoordelen of een hogere categorie (kankerverwekkendheid categorie 1B of 1A) en/of aanvullende blootstellingsroutes (oraal of via de huid) moeten worden toegepast.
Er is vastgesteld dat de kankerverwekkendheid van deze stof ontstaat wanneer inhaleerbaar stof wordt ingeademd in hoeveelheden die leiden tot een aanzienlijke aantasting van de mechanismen in de longen die verantwoordelijk zijn voor het verwijderen van deeltjes.
Deze noot is bedoeld om de specifieke toxiciteit van de stof te beschrijven en vormt geen criterium voor indeling in de zin van deze verordening.
De indeling voor de gevarenklasse(n) in deze vermelding is uitsluitend gebaseerd op de gevaarlijke eigenschappen van het deel van de stof dat alle stoffen in de vermelding gemeen hebben. De gevaarlijke eigenschappen van stoffen in de vermelding hangen ook af van de eigenschappen van het deel van de stof dat niet in alle stoffen in de groep voorkomt. Dit laatste moet worden geëvalueerd om te beoordelen of voor de gevarenklasse(n) in de vermelding (een) strengere indeling(en) (d.w.z. een hogere categorie) of een bredere indeling (aanvullende onderverdeling, doelorganen en/of gevarenaanduidingen) gerechtvaardigd is.
1.1.3.2. Noten betreffende de indeling en etikettering van mengsels
de vermelde concentratie, of bij ontbreken daarvan de algemene concentratiegrenzen in deze verordening, is het gewichtspercentage van het metallische element, berekend ten opzichte van het totaalgewicht van het mengsel.
De vermelde isocyanaatconcentratie is het gewichtspercentage van het vrije monomeer, berekend ten opzichte van het totaalgewicht van het mengsel.
De vermelde concentratie is het gewichtspercentage van de in water opgeloste chromaationen, berekend ten opzichte van het totaalgewicht van het mengsel.
De concentratiegrenzen voor gasvormige mengsels worden uitgedrukt in volumeprocent.
Nikkelhoudende legeringen worden ingedeeld voor huidsensibilisering als de afgiftesnelheid, zoals gemeten met de referentie-testmethode van Europese norm EN 1811, hoger is dan de in deze norm vermelde grenswaarde van 0,5 μg Ni/cm2/week.
De indeling van een mengsel als kankerverwekkend is van toepassing, tenzij kan worden aangetoond dat de theoretische maximumconcentratie van formaldehyde die kan vrijkomen uit het mengsel zoals het in de handel wordt gebracht, ongeacht de bron, lager is dan 0,1 %.
De indeling van een mengsel als mutageen is van toepassing, tenzij kan worden aangetoond dat de theoretische maximumconcentratie van formaldehyde die kan vrijkomen uit het mengsel zoals het in de handel wordt gebracht, ongeacht de bron, lager is dan 1 %.
De indeling als kankerverwekkende stof bij inademing is alleen van toepassing op mengsels in de vorm van poeder dat 1 % of meer titaandioxidedeeltjes in de vorm van of ingekapseld in deeltjes met een aerodynamische diameter ≤ 10 μm bevat.
Mengsels moeten als giftig voor de voortplanting worden ingedeeld als de som van de concentraties van afzonderlijke boorverbindingen die als giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld in het in de handel gebrachte mengsel 0,3 % of meer bedraagt.
Mengsels moeten als giftig voor de voortplanting worden ingedeeld als de som van de concentraties van de afzonderlijke stoffen die onder deze vermelding vallen in het in de handel gebrachte mengsel gelijk is aan of hoger is dan de toepasselijke algemene concentratiegrens voor de toegewezen categorie of een in deze vermelding genoemde specifieke concentratiegrens.